Er is iets en dat doet pijn, het is vreselijk pijnlijk. Wanneer ik snijd is de pijn van het snijden beter dan die vreselijke pijn. Dan is die vreselijke pijn er even niet.
Ik voel niets, maar er is wel iets wat niet fijn is. Ik weet niet wat ik daarmee moet. Wanneer ik drink, verdrin(g)(k) ik het en is het er even niet.
Ik heb heel veel onrust, heel veel pijn. Te veel. Het is niet te verdragen. Het moet weg. Wanneer ik iets neem is alle pijn weg en is het fijn. Alsof het er niet is.